
Zwijndrecht: een naamsverklaring
AlgemeenPlaats waar de zwijnen oversteken. Plaats waar ieder jaar markten gehouden worden, waar men uitsluitend zwijnen kan kopen. Dit zijn enkele voorbeelden van verklaringen van de naam Zwijndrecht van historici die ongeveer anderhalve eeuw geleden leefden. Het is een komische gedachte, want stond er bij die oversteekplaats dan een verbodsbord voor de andere dieren? En wat als je naar de markt kwam om ander vlees te kopen, dan kwam je blijkbaar in Zwijndrecht bedrogen uit. We moeten deze fantasierijke verklaringen dan ook naar het rijk der fabelen verwijzen. Maar hoe is Zwijndrecht dan wel aan haar naam gekomen? En wat waren precies de grenzen van ons leefgebied?
De eerste keer dat we de naam Zwijndrecht tegen komen, is in een akte uit 1028, waarin de bezittingen van de Sint Paulusabdij, een van de oudste kloosters van Nederland, worden opgesomd. Hierin spreekt men onder meer over ‘een streek langs de Merwede, die de Zwijndrechtse Waard (Swindrehtwert) wordt genoemd, die in lengte en breedte tien en een halve mijl meet’. Het ging hierbij dus om een behoorlijk gebied, waar vooral de Merwede een stempel op drukte. Dit wordt onderstreept in een oorkonde uit het begin van de twaalfde eeuw, die een geografische beschrijving geeft in het jaar 1064. Er worden allerlei waterwegen genoemd als grenzen, namelijk: de Merwede, de Thuredrith (de huidige Voorstraatshaven), de Dubbel, de Devel, de Waal en vervolgens weer naar de Merwede en Thuredrith. Hieruit kunnen we opmaken dat de ‘Swindrehtwert’ er toch anders uitzag dan vandaag de dag. Alles ten zuiden van de Devel, dus het huidige Meerdervoort en de Lindt waren geen onderdeel van de Zwijndrechtse Waard, maar behoorden tot het gebied wat wij nu de Hoekse Waard noemen. Aan de andere kant behoorden delen van Alblasserdam wel weer tot dit gebied. De ligging van de dijk bij Alblasserdam en Papendrecht verraadt namelijk dat de Merwede ooit veel oostelijker stroomde.
Dat brengt ons bij een naamsverklaring voor Zwijndrecht. Eigenlijk is dit een samensmelting van de woorden ‘swin’ en ‘drecht’. Laatstgenoemde betekent een (ondiepe) waterloop waar schepen (op den duur) doorheen of langs getrokken moeten worden. ‘Swin’ vertalen we als getijdengeul. De naam Zwijndrecht is dus het gebied waar een waterloop doorheen of langs stroomde, dat, onder invloed van het tij, soms wel en soms niet bevaarbaar was. Bij eb stak men misschien zelfs te voet over. Waar dit ‘swin’ lag, is moeilijk te achterhalen, temeer omdat de lopen van de rivieren door de eeuwen heen meerdere keren wijzigden. Echter, midden in de Zwijndrechtse Waard vinden we wellicht een aanwijzing. Op oude luchtfoto’s zien we ‘de Vaart’ nog, een waterweg die vanaf de Oude Maas evenwijdig aan de Lindelaan liep en uiteindelijk in de Devel uitmondde. Eeuwenlang vormde zij de scheiding tussen Zwijndrecht en Meerdervoort. Na de indamming in de veertiende eeuw werd zij een binnenwater, alleen gebruikt door tuinders uit de Pieterman. Vormde zij voor die tijd misschien wel een getijdengeul met oversteekplaats waar een heel gebied naar werd vernoemd? We zullen het nooit weten. Anderen hebben dit ‘swin’ bijvoorbeeld bij Heerjansdam en bij Dordrecht gelokaliseerd.
Tekst: Maurice de Jongh




