Al de hele winter zit een groepje baardmannetjes in de rietkraag in de Crezéepolder. Zeker de mannetjes zijn opvallend, met hun opvallende zwarte 'baard'. Foto: Rutger Plaisier
Al de hele winter zit een groepje baardmannetjes in de rietkraag in de Crezéepolder. Zeker de mannetjes zijn opvallend, met hun opvallende zwarte 'baard'. Foto: Rutger Plaisier Foto: Rutger Plaisier

Overwinterende baardmannetjes

Algemeen

In de brede rietkraag langs de dijk in de Crezéepolder zit al vanaf oktober een groepje baardmannetjes. Op de één of andere manier wordt de naam van deze soort altijd als verkleinwoord gegeven, baardmannen klinkt natuurlijk ook gewoon een stuk minder. 

Zeker als je weet dat het maar kleine vogeltjes zijn, die al hangend aan de rietstengels naar hun voedsel zoeken. De naam heeft deze soort vooral te danken aan de mannetjes. Zij hebben op hun grijze kop een opvallende, zwart baard, of eigenlijk beter een hangsnor. Verder zijn ze overwegend oranjebruin gekleurd met op de vleugels wat zwarte en witte tekening. De vrouwtjes hebben de ‘baard’ niet en hebben een meer bruinige kop. Beide geslachten hebben verder een opvallend geel snaveltje en een lange staart. Met hun uiterlijk vallen ze dus nauwelijks op in het riet, maar ze hebben een opvallende, pingelend roepje, waarmee ze snel opvallen.

In onze regio komen baardmannetjes alleen om de winter door te brengen. Ze hebben grote, uitgestrekte rietvelden nodig om te broeden. In Nederland broeden ze met name in de Oostvaardersplassen, in Flevoland. Grote kans ook dat het groepje wat in de Crezéepolder overwintert daarvandaan komt, want baardmannetjes trekken niet ver weg om de winter door te brengen. Dat hoeven ze ook niet, want ondanks dat ze in de zomer afhankelijk zijn van insecten, kunnen ze in de winter teren op zaad van riet. Het verteren van eiwitrijke insecten en zaden gaat echter wel wat anders, maar baardmannetjes hebben daarvoor een bijzonder mechanisme. In de zomer is hun maag omgeven door een slappe spier, want veel kneedwerk is dan niet nodig. In de herfst wordt deze slappe spier echter hard en stevig, waardoor de rietzaden goed gekneed en verteert kunnen worden. Bovendien eten ze ook steentjes, die als molenstenen werken en zorgen dat de harde zaadjes fijngemalen worden. Als de temperatuur in het voorjaar stijgt, verslapt de spier weer omdat baardmannetjes dan weer volledig van insecten kunnen leven. Op het moment dat er laat in de winter opeens toch nog een vorstperiode komt, ontstaat er dus wel een probleem voor baardmannetjes. De spier kan maar één keer per seizoen aangepast worden, dus als ze weer over moeten op rietzaden, leggen veel baardmannetjes het loodje.

Mede dankzij het grote aantallen jongen wat ze kunnen produceren, kan de populatie in principe dit soort tegenvallers wel opvangen. Baardmannetjes kunnen in één seizoen tot wel drie of vier nestjes met jongen groot brengen, zodat ze per seizoen wel twintig jongen kunnen krijgen. Dan kan een populaties snel groeien, en dat gebeurde dan ook in de jaren ‘60 en ‘70. Kort nadat Flevoland was ingepolderd ontstonden daar namelijk uitgestrekte rietmoerassen, ideaal broedgebied voor baardmannetjes. De aantallen groeiden dan ook zeer snel, terwijl het daarvoor nog een schaarse broedvogel was in Nederland. Al snel waren er maar liefst 7000 paartjes van deze fraaie vogeltjes. Toen de polders langzaamaan ingericht werden nam dat aantal echter weer snel af, maar sindsdien is de soort wel een stuk algemener gebleven in Nederland. In maart zullen naar verwachting de overwinterende baardmannetjes ook weer uit de Crezéepolder vertrekken, om elders hun jongen groot te brengen.

Heeft u vragen, zelf wat onbekends gezien of andere opmerkingen? Mail me gerust:
cornelisfokker@gmail.com