
Zoveel als een velletje papier...
Kunst en cultuurAls je in deze tijd van het jaar door een parkje loopt, kan je met enig geluk de hoge, ijle roepjes van vuurgoudhaantjes horen. De ouderen onder ons zullen daar overigens waarschijnlijk wel wat meer moeite mee hebben, want de roepjes van vuurgoudhaantjes zijn meestal de eerste vogelgeluiden die bij afnemend gehoor onhoorbaar worden. Vuurgoudhaantjes zijn al vanaf eind augustus op doortrek, en dan zijn in parkjes vaak wel één of meerdere vuurgoudhaantjes te vinden. Meestal sluiten ze aan bij ‘onze’ kool- en pimpelmezen, die met hun jongen in groepen door het groen van trekken. De vuurgoudhaantjes zoeken daarbij ijverig de blaadjes, takjes en stammen af en pikken ijverig alle insecten weg die ze tegenkomen. Vaak zijn het spinnetjes, bladluizen en meer van dat soort klein gewriemel.
Wanneer je eenmaal een vuurgoudhaantje goed bekijkt, zal je versteld staan van de schoonheid van het diertje. Vooral de mannetjes die als ze wat agressief zijn hun knaloranje middenkruin omhoog kunnen zetten, om zo indruk te maken. Bij de vrouwtjes is deze middenkruin geel gekleurd, dus wat minder uitgesproken. Daarnaast hebben ze een opvallende witte wenkbrauwstreep bij hun verder tamelijk groene uiterlijk. Ze onderscheiden zich daarmee van het normale goudhaantje, die geen wenkbrauwstreep heeft. Bovendien komen die meestal ook pas later in de herfst aan vanuit de broedgebieden. Goudhaantjes komen namelijk vanuit Scandinavië, terwijl vuurgoudhaantjes vooral uit Duitse en Deense bossen naar de lage landen trekken om te overwinteren. Maar ook in Nederland broeden sinds de vorige eeuw, sinds 1928 om precies te zijn, vuurgoudhaantjes. Ze hebben een sterke voorkeur voor sparrenbos, en broeden doen ze in Nederland dus vooral in het oosten van het land.
In deze sparrenbossen maken ze een nestje aan het uiteinde een tak, waar ze het als het ware ophangen. Twee weken duurt het voordat de minuscule eitjes zijn uitgebroed, want klein zijn ze. Naast hun fraaie uiterlijk staan vuurgoudhaantjes immers vooral bekend om hun kleine formaat. Het is de kleinste vogelsoort die je in Nederland tegen kan komen. Ze wegen slechts 5,3 gram, net zoveel als een velletje A4-papier… Vlak voordat ze op trek gaan eten ze hun buikje rond en kunnen ze wel een grammetje of 7 wegen, maar meestal moeten ze het met minder doen. Het blijft altijd verbazingwekkend om te beseffen dat ’s nachts deze bolletjes overtrekken. Trekken doen ze vooral ’s nachts, omdat dan de minste gevaren op de loer liggen, zoals roofvogels.
Een deel van de vuurgoudhaantjes die nu in onze parken aanwezig is zal waarschijnlijk nog verder trekken naar Zuid-Europa. Een ander deel zal hier blijven om de winter door te brengen, met daarbij het risico dat het een koude winter wordt. Vuurgoudhaantjes kunnen namelijk slecht tegen strenge vorst en veel exemplaren leggen dan het lootje. Dat is voor vuurgoudhaantjes en veel andere soorten een afweging: blijven in gebieden met het risico op een koude winter, of verder trekken (en dus veel energie gebruiken) naar veiliger oorden? Wie weet wat deze winter de goede keuze gaat blijken te zijn.
Heeft u vragen, zelf wat onbekends gezien of andere opmerkingen? Mail me gerust:
cornelisfokker@gmail.com




