Afbeelding

100 jaar rijbewijs: proefrit of bekwaam, het gaat om BOB

Lokaal

Zo’n 100 jaar geleden bespraken Kamerleden belangrijke wijzigingen van de Motor- en Rijwielwet. Een discussiepunt was de invoering van een aangescherpt rijbewijs. Als je zo de behandelingen van deze wijzigingen in 1904,1908 en het begin twintiger jaren bestudeert, bestond weinig draagvlak voor de invoering van een rijbewijs met veel eisen.

Bekwaamheidsonderzoek
Zo sprak de Wet uit 1904 over een ‘algemeen rijbewijs’ voor 17-jarigen of ouder. Bij de behandeling in juli 1907/1908 vonden sommige Kamerleden dat de bestuurder wel “een bekwaamheidsonderzoek” moest ondergaan. Zij konden zich “niet vereenigen met de mededeeling van Minister (Jakob Kraus), dat een dergelijk onderzoek van hoogst twijfelbaar nut zou zijn. Integendeel, zij achtten het een eerste vereiste, dat het rijden verboden werd aan bestuurders, die niet bewezen hadden voldoende bedreven te zijn.” Onduidelijk was welke eisen dit onderzoek precies stelde aan de bestuurder.

Minister tegenstander aanscherping
In de Wet van 1924 stond dat een provinciale ambtenaar een ‘proefrit’ moest maken met de aanvrager van een rijbewijs. “Als deze voldoende vaardigheid bezit in het besturen van een motorrijtuig’ kreeg hij een ‘verklaring.’ Deze wijziging kwam vanuit de Kamer en kreeg steun van een flinke meerderheid Kamerleden. Ir. G.J. van Swaaij, de toenmalige minister van Waterstaat, was tegenstander en noemde enkele argumenten:
- onvoldoende capaciteit. Wie zou de 15.000 automobilisten en 30.000 motorrijders moeten ‘beproeven?’
- ‘als men die attesten had, zou het aantal ongelukken verminderen?
- ‘als alle leden dezer hoge vergadering door specialiteiten moesten worden onderzocht of ze geschikt waren voor Kamerlid, dan zouden er misschien velen afvallen! Moet men deze bestuurders door neus-, keel-, en oogartsen laten onderzoeken?’
-‘de oorzaken van ongelukken liggen “elders dan gemis aan bekwaamheid en geschiktheid. Gedacht werd dan aan andere oorzaken, als onbesuisd rijden of gebruik van sterken drank.”

Ongeval Veersedijk
Deze opvatting vind je bijvoorbeeld in de praktijk terug bij een ernstig verkeersongeval aan de Veersedijk in 1930. “De bestuurder reed naar Hendrik-Ido-Ambacht. Bij de Steenplaats kwam plotseling een wielrijder voor zijn auto, welke den weg wilde oversteken. Een aanrijding was onvermijdelijk. De wielrijder werd terzijde van de auto op de weg neer geslingerd, bleef bewusteloos liggen en bloedde hevig uit een gapende hoofdwond.” Maar gelukkig kwam snel hulp. “Onmiddellijk werd hij door inmiddels toegeschoten personen de woning van M. binnengedragen, waar dokter Ekelmans te Zwijndrecht de hoofdwonden hechte en tevens constateerde dat het linker onderbeen was gebroken.” Daar bleef het niet bij: “Overbrenging naar het ziekenhuis bleek noodzakelijk, waarna de auto van de Geneeskundige Dienst te Dordrecht de zwaargewonde naar het ziekenhuis te Dordrecht heeft vervoerd. Het rijwiel, benevens een koker van zijn paraplu lag geheel verbrijzeld onder de auto.”

Oorzaak ongeval
De krantenreporter had wel een vermoeden van de oorzaak van het ongeval: “Drankgebruik van het slachtoffer schijnt niet onschuldig te zijn aan het ongeval. De politie stelt een onderzoek in.” Of de resultaten van het onderzoek naar buiten zijn gekomen vermeldt de Nieuwe Utrechtse Courant niet…

Willem Schneider