
Een financiële arm geven….
AlgemeenNa jaren welvaart lijkt nu armoede weer de kop op te steken. Ambacht kende tot het einde van de Tweede Wereldoorlog veel armoede. Denk aan de vlaswerkers, de steenbakkers en veel slopers.
Kerkelijke taak
De armoedebestrijding was vóór 1848 de taak van de kerk(en). De grondwet van 1848 bepaalde dat er een wettelijke regeling van de armenzorg moest komen. Pas in 1854 kwam de eerste Armenwet. Uitgangspunt was dat kerken de armen onderhielden. De overheid mocht pas steun verlenen bij “volstrekte onvermijdelijkheid”, in de Armenwet uit 1901 schrapte men deze uitdrukking. De overheid moest de “maatschappelijke zwakkere zo mogelijk tot economische zelfstandigheid” brengen.
De Armenwet uit 1854 wees het burgerlijk armbestuur aan voor het verlenen van hulp aan degenen, die geen steun van de diaconieën of “instellingen van liefdadigheid” konden krijgen. Deze diaconieën werden overigens “Heilige Geest-Armbesturen” genoemd. Gemeentebesturen werden verplicht een lijst van deze instellingen van liefdadigheid bij te houden. Die lijst zonden deze besturen jaarlijks naar de regering onder de naam “Verrigtingen aangaande het Armbestuur”. Dat deed Ambacht ook en daarom weten we dat in 1855 “het kapitaal van het Heilige-Geest-armbestuur te Hendrik-Ido-Ambacht, ten gevolge van reeds vroeger genomen maatregelen, jaarlijks met 30 gulden vermeerderd wordt.”
Teveel subsidie
Uit deze “verrigtingen” weten we dat de provincie Zuid-Holland in de periode 1870-1875 subsidieverlening van Ambacht aan het burgerlijk Armbestuur afkeurde. Er zou teveel subsidie gegeven zijn. Ambacht ging met succes tegen deze besluiten in beroep. Een reden voor meer subsidie was dat het gedeeltelijk mislukken van den vlasoogst in het voorjaar van 1875 “nadeelig op den arbeidenden stand kon terugwerken.” De provincie kon dit doen, omdat ze toezichthouder op de gemeentelijke uitgaven is. Ook in andere jaren, zoals in 1907, 1909 en 1911 ondersteunde het Armbestuur de diaconieën, onder andere door het meebetalen aan verpleging van arme Ambachters in ziekenhuizen.
Leeftijdsgrens
De Armenwet verplichtte de gemeenten ook voor armlastige kinderen te zorgen. De leeftijdsgrens verschilde echter per gemeente. Ambacht hanteerde in 1900 de grens van 12 tot 13 jaar (“bij goede lichamelijke ontwikkeling”), andere gemeenten 20 jaar of ouder. De financiën gaven hierbij de doorslag, want de armoedebestrijding was onvoldoende. Ik denk namelijk dat de gemeente deze grens sinds 1854 niet goed handhaafde, want bij de vlasverwerking was namelijk kinderarbeid normaal.
Armoede en gezondheid
Door slechte werkomstandigheden en armoede werden kinderen (en ouders) niet oud. “Wanneer men een werkman ontmoet, zegt de eerste blik of hij een vlasarbeider is; het geestelooze bleeke gelaat, de beklemde ademhaling en heesche stem wijzen hem aan,” vertelde toenmalig burgemeester Van Aken de Tweede Kamer in 1887 tijdens een parlementaire enquêtecommissie. Hij zag het, maar hij trad destijds niet op. Helaas niet, ondanks het feit dat Van Aken huisarts Hendrik Jan Court als wethouder had. En Court wist door zijn huisbezoeken als geen ander dat armoede en een slechte gezondheid hand in hand gingen!
Willem Schneider




