
Pittenkrakers in de lift
Kunst en cultuurHet voorjaar is de afgelopen weken behoorlijk ontsproten, waarbij ook vogels alweer volop bezig zijn met de nesten en het afbakenen van hun territorium. De soorten die in Nederland blijven en niet wegtrekken, zijn daar natuurlijk als eerste bij. Dat zijn bijvoorbeeld onze huismussen, koolmezen en heggenmussen, maar ook de weinig wegtrekkende soorten zoals tjiftjaf, grutto en kievit zijn alweer druk bezig in hun territorium. Eén van de meer onopvallende soorten die ook weer volop actief zijn, is de appelvink.
De appelvink is de grootste vinkensoort die we in Nederland kennen. In de eerste plaats vallen ze vooral op door hun enorme snavel, maar het verenkleed is overwegen roestbruin met opvallende witte vleugelstrepen en diepblauwe toppen van aan de veren. De mannen zijn zoals bij veel vogelsoorten meer uitgetekend dan de vrouwtjes, die meer vaal gekleurd zijn. Beide geslachten hebben echter een enorme snavel, waarmee ze zaden, boomknoppen en vruchten eten. Uit onderzoek is gebleken dat ze met hun snavel een drukkracht van 50 kilogram kunnen uitoefenen, wat betekent dat ze als het ware dezelfde kracht als een voorwerp van 50 kilogram kunnen geven. Daarmee kunnen ze bijvoorbeeld moeiteloos kersenpitten kraken.
Appelvinken hebben een voorkeur voor dichte en oude bossen, waarin boomsoorten voorkomen als kers en esdoorn waarvan ze de zaden graag eten. Ze hebben een grote voorkeur voor ‘helikoptertjes’ die zeer olierijk zijn en een belangrijke voedselbron zijn voor appelvinken. In onze regio kwamen appelvinken vijftig jaar geleden dan ook helemaal niet voor, net zoals dat veel andere bosvogels in die tijd heel schaars waren. Onze regio is door aanplant van natuurgebieden en uitbreiding van de bebouwing (en daarmee komst van parken) sterk verbost en daarmee geschikt geworden voor bosvogels. Ook de grote bonte specht is bijvoorbeeld sterk toegenomen, maar ook appelvinken hebben ze de laatste jaren weten te vestigen.
Oude parken, begraafplaatsen en doorgeschoten wilgenbossen langs de Oude Maas zijn plekken waar je appelvinken tegen kan komen. In het Develbos broeden ze bijvoorbeeld al enkele jaren, maar het is een soort die lastig op te merken is. Ze zijn meestal stil en houden zich hoog in de boomtoppen op, waar ze op zaden foerageren. Appelvinken ontdek ik vrijwel altijd op basis van hun geluid. In de vlucht roepen ze altijd onophoudelijk een luide, explosieve tik, afgewisseld met een hoog ‘tssiii’. Het zijn roepjes die je als vogelaar goed tussen de oren moet hebben, want ze gaan eenvoudig op in de massa en lijken op geluiden van algemene soorten als roodborst en merel. De zang van appelvinken is eigenlijk net zo primitief als hun vluchtroep. In de zachte, onopvallende zang wisselen de mannetjes allerlei verschillende roepen ritmisch door elkaar.
Appelvinken nestelen hoog in de boomkruinen, waar ze in de vork van takken een kunstig nest bouwen. Meestal zitten meerdere paartjes dicht op elkaar en vormen ze zo kleine kolonies. Dankzij de veroudering van de bossen gaat het appelvinken voor de wind en nemen ze behoorlijk in onze regio toe. Wellicht dat we ze in de toekomst ook op onze voedertafels gaan zien?
Heeft u vragen, zelf wat onbekends gezien of andere opmerkingen? Mail me gerust: cornelisfokker@gmail.com








