
Vuurlibellen uit het zuiden
LokaalDe natuur is altijd in beweging. Soorten komen en soorten gaan, maar met name in het rijk van dagvlinders, libellen en sprinkhanen is dat goed zichtbaar. In onze regio kan je bijvoorbeeld ruim 30 soorten libellen zien. Een deel van deze soorten gaat achteruit, terwijl er ook relatief veel nieuwkomers zijn. In grove lijnen zijn deze ontwikkelingen één op één te koppelen aan gemiddeld hogere temperaturen, zodat zuidelijke soorten toenemen en afnemende soorten zich terugtrekken naar het noorden. Soorten als zuidelijke keizerlibel, zuidelijke heidelibel, gaffelwaterjuffer, kleine roodoogjuffer en vuurlibel zijn de afgelopen jaren zo op het toneel verschenen. Zwarte heidelibel is daarentegen verdwenen, terwijl ook de voorheen talrijk voorkomende steenrode heidelibel steeds verder in aantallen terugloopt.
Libellen zijn erg mobiel en kunnen relatief eenvoudig grote afstanden afleggen. Daarom zijn ze in staat om snel te reageren op temperaturen en ze kunnen door zuidelijke stromingen zich bovendien makkelijk mee laten voeren naar het noorden. Een belangrijke factor achter de toename van zuidelijke soorten is eenvoudig het feit dat libellen bij de regulatie van temperatuur afhankelijk zijn van de warmte van de zon. Deze koudbloedige dieren zijn gebaat bij meer zonneschijn, zodat een duidelijk verband zichtbaar is tussen het aantal soorten en de zomertemperatuur. Daarnaast is de temperatuur van het water een belangrijke factor, omdat libellen een groot deel van hun leven doorbrengen in het water als larve. De larven van de zuidelijke libellensoorten groeien relatief snel, zodat ze deze groei alleen kunnen voltooien in wateren met voldoende aanbod aan prooidieren. Deze omstandigheden zijn juist in warme wateren aanwezig, terwijl ze in koude wateren te weinig prooidieren zullen vinden om uiteindelijk het stadium van een ‘imago’ te bereiken.
Deze factoren spelen dus waarschijnlijk een belangrijke rol in het feit dat je nu op allerlei plekken de voorheen zeldzame vuurlibel kan tegenkomen. Deze vuurrode libel met zijn kenmerkende rode ogen is nu te vinden bij plasjes, sloten en poelen, alhoewel nog steeds wel in lage aantallen.
Overigens zijn ook verschuivingen zichtbaar in soorten die hier altijd al voorkwamen. Veel soorten zijn in de afgelopen tientallen jaren aanzienlijk eerder in het jaar gaan vliegen, soms tot wel ruim drie weken eerder dan gemiddeld. Ook voor deze verschuiving ligt een opwarming van het water voor de hand als verklarende factor, aangezien larven eerder een volgroeid stadium bereiken.
Ten slotte zijn de zomers in Nederland niet alleen warmer geworden, maar gemiddeld genomen ook natter. Grotere hoeveelheden neerslag leiden vaak tot grotere oppervlaktes water, met vooral een toename in ondiepe plassen en randzones. Deze ondiepe wateren zijn juist zeer geliefd voor libellen, omdat het water daar sterk opwarmt. Rondom ondiepe plasjes kunnen dan ook met name zuidelijke soorten sterk aanwezig zijn en dat zijn vaak ook de plekken waar ze als eerste opduiken. In de afgelopen jaren doken op dergelijke plekken bijvoorbeeld ook zwervende pantersjuffers op als nieuwkomer uit het zuiden. Voor nu is het dan ook vooral de vraag wat de volgende nieuwe soort zal zijn die we kunnen verwelkomen.





