Chirurgen Smeenk (links) en Toorenvliet, hier samen aan het opereren: ‘Patiënten zijn erg tevreden over de nieuwe aanpak en wij zijn dat daardoor ook’.
Chirurgen Smeenk (links) en Toorenvliet, hier samen aan het opereren: ‘Patiënten zijn erg tevreden over de nieuwe aanpak en wij zijn dat daardoor ook’.

Albert Schweitzer en Ikazia verbeteren de aanpak van haarnestcyste

Mens en Maatschappij

Patiënten met een hinderlijke ontsteking in de bilnaad door haartjes die door de huid steken (een zogeheten haarnestcyste) hoeven lang niet altijd een ingrijpende operatie te ondergaan, zoals voorheen. Chirurgen van het Albert Schweitzer ziekenhuis in Dordrecht en het Ikazia Ziekenhuis in Rotterdam hebben de behandeling van deze aandoening aanzienlijk verbeterd. Het gevolg is onder meer: minder pijn, een minder ernstige wond, minder kans op terugkeer van de klachten en sneller herstel.

De verbeterde aanpak van de haarnestcyste heeft niet alleen grote voordelen voor de patiënt maar komt ook de zorg ten goede. Zo hoeft een minder groot beroep te worden gedaan op operatiecapaciteit, nazorg en middelen. Daarom heeft zorgverzekeraar VGZ de nieuwe aanpak onlangs bestempeld tot Good Practice, wat wil zeggen: een voorbeeld voor andere ziekenhuizen om te volgen. Als de nieuwe werkwijze landelijk zou worden ingevoerd, levert dit een besparing op van zo’n 5 miljoen euro per jaar, heeft VGZ becijferd. In alle Nederlandse ziekenhuizen samen komen jaarlijks zo’n 9000 patiënten met een haarnestcyste.

Tot enkele jaren geleden werd een haarnestcyste verwijderd met een operatie die een flinke wond achterliet, vertelt chirurg Robert Smeenk van het Albert Schweitzer ziekenhuis. “Wij merkten in de praktijk dat dit lang niet altijd nodig is en hebben daarom een nieuwe benadering geïntroduceerd. Er zijn nu drie mogelijkheden. Patiënten zonder klachten, die ongeveer 20 procent van het totaal aantal vormen, opereren we niet. Zijn er wel klachten maar betreft het een beperkte vorm, dan wordt de haarnestcyste schoongemaakt met een meestal poliklinische operatie die minder ingrijpend is dan voorheen. Soms wordt dit nog aangevuld met een laserbehandeling. Dit betreft ongeveer de helft van de patiënten. Een complexe of terugkerende variant van een haarnestcyste opereren we met een zogenoemde verschuivingsplastiek: hiermee wordt de bilnaad iets oppervlakkiger gemaakt en de wond gesloten door het verplaatsen van een gezond stukje huid. Dat is de resterende 30 procent.” Smeenk verricht de operaties poliklinisch of in dagbehandeling in de Helene Schweitzer kliniek, onderdeel van het Albert Schweitzer ziekenhuis.

Boudewijn Toorenvliet, chirurg in het Ikazia Ziekenhuis, somt de winst op van deze maatwerkaanpak. “We opereren minder vaak én minder ingrijpend. Bij de tweede groep patiënten gaat het herstel na de vereenvoudigde ingreep veel sneller en is minder nazorg nodig. Na gemiddeld zes dagen kunnen mensen hun gewone activiteiten weer oppakken. Een overgrote meerderheid heeft geen pijnstilling nodig. De verschuivingsplastiek is iets ingrijpender, maar deze kent een fors lagere kans op terugkeer dan alle andere methoden, zo’n 4 tot 10 procent. De voordelen zijn dus legio, voor iedereen. Minder ziekenhuisbezoeken, minder wondzorg, minder verzuim door patiënten die werken en meer capaciteit in het ziekenhuis die beschikbaar is voor andere operaties. Patiënten zijn erg tevreden over de nieuwe aanpak en wij zijn dat daardoor ook.”

De werkwijze is eerder dit jaar vastgelegd in een medisch-specialistische richtlijn bij de Federatie Medisch Specialisten, waardoor andere ziekenhuizen deze gemakkelijk kunnen volgen. Toorenvliet en Smeenk streven daarnaast naar wetenschappelijke bewijskracht voor hun aanpak. “We hebben een subsidie aangevraagd bij het samenwerkingsverband van ziekenhuizen in de regio Rijnmond, de BeterKeten, om breder onderzoek te kunnen doen naar de effectiviteit van de techniek.” Toch tonen chirurgen uit andere regio’s nu al belangstelling. “We hebben een goedbezocht symposium over dit onderwerp gehouden en diverse collega’s zijn al bij ons komen kijken. De erkenning door VGZ levert weer nieuwe aandacht op en dat is uiteindelijk heel positief voor patiënten met deze heel vervelende aandoening.”