Detail kaart van de Zwijndrechtse Waard omstreeks 1710. Blauw omcirkeld de korenmolen.
Detail kaart van de Zwijndrechtse Waard omstreeks 1710. Blauw omcirkeld de korenmolen. Foto: Collectie Kees van der Leer

Een korenmolen in de Lindt

Algemeen

Tekst: Maurice de Jongh

De Zwijndrechtse Waard heeft tientallen molens gekend: van poldermolens tot industriemolens en korenmolens. Van veel van deze typisch Nederlandse bouwwerken is tegenwoordig niets meer terug te vinden. Slechts de namen van bepaalde straten, denk aan de Molenstraat in het Julianadorp, of gedenkstenen in de gevels van woningen, zoals aan de Lindenweg en de Develsingel, herinneren ons aan deze vermaarde bouwwerken. In sommige gevallen zijn enige restanten te zien, zoals de maalstenen van de voormalige rijstpelmolen de Rozenburg, die op het Maasplein liggen of de fundamenten van watermolen de Pieterman in het park langs de Molenvliet. Tot slot zijn ook de namen van de nieuwe appartementencomplexen op het voormalige Euryza-terrein verwijzingen naar molens die daar ooit in de buurt stonden.

‘De molen was een kort leven beschoren’

Veel minder is bekend over de oude korenmolen van de Groote Lindt. Dit is niet heel vreemd te noemen. Deze molen heeft er slechts zevenenvijftig jaar gestaan, namelijk in de periode tussen 1653 en 1710. Het bouwwerk was niet gelegen in de oude dorpskern nabij de Lindtse kerk, maar veel verder weg langs de Devel op de plek waar de Kerkweg de Devel bereikte. Dit punt kunnen we in de buurt van de huidige loopbrug over de Devel plaatsen. Waarom koos men deze plek voor een molen? Dit heeft uiteraard te maken met de wind, die langs rivieren vaak harder waait dan landinwaarts. Bovendien staan in de uiterwaarden minder hoge bomen of bouwwerken, zodat de wieken meer wind kunnen vangen. Een derde reden is dat men vaak centrale locaties koos, die gelegen waren tussen verschillende dorpen of buurtschappen, zodat meer mensen gebruik van de molen konden maken. Een laatste - maar zeker niet leidende - argument zal zijn dat men geluidsoverlast wilde voorkomen door de molen verder uit de buurt van de woonkern te plaatsen. Genoeg redenen dus om molens aan de kades van rivieren te bouwen. Dit gebeurde dan ook veelvuldig in de Zwijndrechtse Waard.

In 1653 kreeg de molenaar toestemming van de kerken in de Zwijndrechtse Waard tot het gebruik van de Kerkweg, die door deze instellingen onderhouden werd (vandaar ook de naam), als toegang tot zijn molen. Daarnaast werd hem ook de wind gegund door de schout (burgemeester), de kerk en het gerecht, die blijkbaar allen bepaalde rechten in het gebied hadden. Het moet een houten standaard- of wipmolen zijn geweest: een type molen dat we veel tegenkomen binnen vestingsteden. Voordeel van zo’n molen is dat deze, door hem te kruien, gedraaid kan worden ‘op de wind’. Toch mocht dit alles niet baten: de molen bleek een kort leven beschoren. Dit heeft vooral te maken met het molenaarsberoep. Het was zwaar en weinig rendabel werk. Bovendien was de molenaar te afhankelijk van de wind. Na vele eigenaren te hebben gehad, die allen torenhoge schulden overhielden, werd de molen rond 1710 afgebroken. (Bron: A. van der Linden in Zwijndrechtse Wetenswaardigheden II)