Een vink op zoek naar zaadjes op een recent bewerkte akker.
Een vink op zoek naar zaadjes op een recent bewerkte akker.

Vinken als wintergast

Kunst en cultuur

De kans is groot dat in een enigszins groene tuin, ‘s winters een keer een vink langskomt. Zeker ook het voeren van vogels heeft een goede aantrekkingskracht op deze algemene wintergast. Meestal scharrelen ze onopvallend op de grond op zoek naar voedsel. Jaarlijks overwinteren naar schatting 1-2 miljoen vinken in Nederland, die voor het grootste deel ook in ons land broeden. Daarnaast komen er vele honderdduizenden uit Scandinavië bij ons overwinteren.

Vinken zijn relatief makkelijk te herkennen. Ze zijn wat kleiner dan huismussen en net wat forser dan bijvoorbeeld koolmees en pimpelmees. De mannetjes hebben een oranjeroze borst, terwijl de vrouwtjes minder opvallend bruin gekleurd zijn. Beide geslachten hebben twee duidelijke witte vleugelstrepen, waarmee ze ook in de vlucht goed te herkennen zijn. In het broedseizoen zijn de mannetjes overigens veel feller gekleurd en is het contrast met de blauwgrijze pet veel sterker.

Vinken zijn echte zaadeters, die bijna het hele jaar afhankelijk zijn van plantaardig materiaal. In de winter is dat bijvoorbeeld vogelvoer, maar ook zaden van onkruiden, akkerkruiden en beukennootjes. De hoogste aantallen zijn in Nederland ’s winters dan ook te vinden in bossen, waar ze in grote aantallen op de grond op zoek zijn naar deze noten. In de zomer schakelen vinken, net zoals veel andere zaadeters, tijdelijk over op insecten als belangrijkste voedselbron. Deze insecten zijn eiwitrijker, wat belangrijk is voor de groei van de jongen en de overleving van de volwassen vinken in deze intensieve periode. Op het platteland en in bossen zijn vinken vaak in grote groepen te vinden. Ook bij ons in de regio kan je groepen van tientallen exemplaren tegenkomen als de omstandigheden geschikt zijn. Soms is dat bijvoorbeeld ook het geval op braakliggende terreinen, waar massaal voedsel beschikbaar kan zijn.

Het aantal vinken is in Nederland de afgelopen vijftig jaar behoorlijk toegenomen. Waar het vroeger bij uitstek een soort was die broedde in de bosgebieden in de meer oostelijke helft van het land, is de vink nu ook overal in het westen aan het broeden geslagen. De aanplant van nieuwe bossen, uitbreiding van stedelijk gebied (met vaak veel parken en groenstructuren) en de uitbreiding van beplanting in het agrarisch gebied zijn daar waarschijnlijk de oorzaak van. Hoge bomen zijn een essentieel onderdeel in het broedhabitat van vinken.

Zoals gezegd komen in de winter vinken massaal naar Nederland om te overwinteren. In oktober en november is de vink, net als de spreeuw overigens, de soort die in de hoogste aantallen op doortrek kan worden waargenomen. Onder de meest gunstige omstandigheden worden langs de Nederlandse kust honderdduizenden vinken geteld, allemaal op reis vanuit Scandinavië naar plekken waar ze veilig de winter kunnen doorbrengen. Een groot deel van deze vinken zit in de winter dus ook zuidelijker dan Nederland.

De vinken die ook in Nederland broeden, beginnen aan het einde van de winter zich weer op te maken voor het broedseizoen. Het is nog even wachten, maar eind februari is altijd de tijd wanneer de eerste vinkenslag weer wordt gehoord.

Heeft u vragen, zelf wat onbekends gezien of andere opmerkingen? Mail me gerust:
cornelisfokker@gmail.com