
Viseters in het dorp
Kunst en cultuurRegelmatig kan je ze tussen de wilde eenden in de sloot of op een lantarenpaal zien staan: aalscholvers. Langs de rivier zie je ze eigenlijk altijd wel, maar ook de bebouwde kom schuwen ze niet. Ze zijn goed te herkennen aan hun zwarte uiterlijk, lange nek en korte, zwarte poten. De snavel is opvallend licht gekleurd met een grote, gele mondhoek. In de loop van de winter verandert het verenkleed naar het prachtkleed ,waarbij ze een opvallende witte dijvlek en wangen krijgen. Op hun kop en nek krijgen ze zilvergrijze veren, die iets langer zijn en als manen hun hoofd tooien. De witte dijvlek speelt een belangrijk rol tijdens de balts op het nest om de man of vrouw te versieren.
In de winter krijgen aalscholvers al vroeg het prachtkleed, wat komt omdat ze ook al vroeg starten met nestbouw en eileg. Op dit moment wordt al volop door aalscholvers gebroed, ze kunnen daar zelfs al in januari mee beginnen. Aalscholvers broeden net zoals blauwe reigers op grote takkennesten in bomen, waarbij ze met tientallen of honderden bij elkaar broeden. Op eilandjes broeden ze soms ook op de grond, omdat ze dan niks te vrezen hebben van roofdieren zoals vossen. Aalscholvers staan bekend om het feit dat ze met hun poep de bomen kunnen witkalken, die uiteindelijk doodgaan. Omdat hun uitwerpselen heel zuur zijn, worden daardoor de bast en de bladeren van de boom aangetast. Die is daardoor niet meer in staat om voedingsstoffen op te nemen en gaat uiteindelijk dood. Kolonies van aalscholvers zijn daardoor vaak in dode bomen gevestigd, wat eigenlijk een gevolg is van de aalscholvers zelf.
Aalscholvers staan bekend als echte viseters. Elke dag eten ze ongeveer een halve kilo, wat het ook mogelijk maakt om zo vroeg in het jaar al te starten met broeden. Vis is immers al beschikbaar en het vroege broeden zorgt ervoor dat nog voldoende vis beschikbaar is. Uit onderzoek is gebleken dat hoe eerder ze in het seizoen beginnen, hoe groter het broedsucces.
De aalscholver heeft het als viseter niet altijd makkelijk te verduren, en ligt met enige regelmaat onder vuur vanwege vermeende concurrentie met vissers. Jarenlang werden aalscholvers dan ook fel bejaagd, maar door het verbod daarop en de verbetering van de waterkwaliteit zijn de aantallen sinds de jaren ’70 sterk gestegen. De belangrijkste prooien van aalscholvers zijn echter pos en blankvoorn, twee vissoorten die niet interessant zijn voor vissers. Onderzoek heeft meermaals aangetoond dat aalscholvers geen negatief effect hebben op de visstand van soorten die wij graag op ons bord hebben. Het eten van aal (ook wel bekend als paling) komt maar weinig voor, vooral ook omdat het daar slecht mee gesteld is door intensieve visserij. Een populatie aalscholvers die het voor de wind gaat, is dus eigenlijk een goed teken. De waterkwaliteit en visstand is dan op orde, waardoor het een goede graadmeter is van een gezond ecosysteem.
Heeft u vragen, zelf wat onbekends gezien of andere opmerkingen? Mail me gerust:
cornelisfokker@gmail.com








